In Nederland mogen geen dierproeven worden uitgevoerd op lagere en middelbare scholen. In het academisch onderwijs, specifieke beroepsopleidingen en postacademische opleidingen gebeurt dat wel, maar alleen wanneer dat strikt noodzakelijk wordt geacht en wanneer daarvoor een instellings- en projectvergunning voor is verleend. 

Trend

Meestal worden dieren in de verplichte vakken in de bachelorfase alleen nog gebruikt als eerste kennismaking (hanteren, observeren) en voor vakken als vergelijkende anatomie. In vrijwillige vakken tijdens de late bachelorfase en de masterfase worden meer dierproeven uitgevoerd, maar in het algemeen in het kader van lopend onderzoek.

Registratie

De registratie en daarmee het bepalen van het aantal uitgevoerde dierproeven is moeilijk vast te stellen. Het is bijvoorbeeld niet altijd duidelijk of dieren die meerdere malen worden gehanteerd tijdens een klassikaal practicum als één dierproef of meerdere moeten worden gerekend. Ook zieke dieren die in een kliniek worden behandeld door studenten in het kader van hun veterinaire opleiding kunnen als ‘onderwijsdieren’ worden meegeteld. Het aantal dierproeven in het onderwijs wordt onder meer beïnvloed door het totale aantal studenten binnen een biomedische opleiding van dat jaar, een aangepast curriculum, aangepast onderwijs, gebruik van 3V-alternatieven en aangepaste registratie. Van de dieren die in het onderwijs worden gebruikt, wordt meer dan 30% hergebruikt. Het gaat dan om proeven met gering ongerief. Ongeveer 75% van de gebruikte dieren zijn knaagdieren (voornamelijk ratten en muizen). Hoewel precieze gegevens niet beschikbaar zijn, worden de meeste dieren niet speciaal voor het onderwijs gefokt. Meestal worden dieren gebruikt die overtollig of genetisch ongeschikt zijn voor het onderzoek (surplus dieren).

3V-methoden

3V-onderzoeksmethoden die binnen onderwijs- en trainingsactiviteiten worden toegepast, kunnen grofweg worden gegroepeerd als: computermodellen, fantomen (nagebouwd dier of organen daarvan voor het trainen van (operatie)technieken, niet speciaal voor het onderwijs gedode dieren (ethically sourced animals), video’s, slachthuismateriaal, in vitro onderzoek en studies op het eigen lichaam. Met name geavanceerde computerprogramma’s worden veel ontwikkeld. Er worden steeds betere modellen ontwikkeld voor bijvoorbeeld operatie- en bloedafnametechnieken. Ook lijkt virtual reality in opkomst. Dit is echter duur in ontwikkeling en aanschaf en is slechts te gebruiken voor kleine groepen studenten.

Voor een aantal leerdoelen kan toepassing van alternatieven wel het aantal proefdieren verminderen, maar zullen dierproeven noodzakelijk blijven. Dit is met name het geval waar dierexperimentele technieken worden aangeleerd zoals operatietechnieken, hanteren, dierverzorging en diverse bloedafnametechnieken.

Uit enkele studies blijkt dat de leerprestaties bij het gebruik van proefdiervrije modellen over het algemeen hetzelfde of soms zelfs beter zijn dan bij het gebruik van proefdieren.

Meer informatie

Van der Valk & Van Boxel (2013) Alternatives in education: an introduction

Altweb Education resources

Website InterNICHE (International Network for Humane Education)