Onderzoek naar gedrag van dieren wordt vaak gecombineerd met genetica, fysiologische en neurobiologische studies. Gedragsonderzoek bij dieren kan ook bijdragen aan meer kennis over gedragskenmerken of psychiatrische ziekten bij de mens.

Onderzoeksdoelen en toepassingen

  • Onderzoek naar stress bij en adaptatie van dieren kan leiden tot meer inzicht in stressgerelateerde ziekten zoals depressie of in de relatie tussen verschillende persoonlijkheden en fysiologische kenmerken.
  • Bij onderzoek naar voedselopname en lichaamsregulatie bij dieren wordt ook de link tussen metabolisme en gedrag bestudeerd, bijvoorbeeld in verband met obesitas en anorexia.
  • Onderzoek naar geheugenprocessen is ook van toepassing op de mens.
  • Veldbiologische gedragsstudies geven inzicht in ecologische stressfactoren en welke stresshormonen daarbij worden geproduceerd.
  • Gedragsonderzoek gebeurt ook ter verbetering van het welzijn van landbouwhuisdieren en proefdieren.
  • Inzichten uit onderzoek kunnen leiden tot het fokken met dieren die beter bestand zijn tegen gevangenschap en andere stressfactoren.
  • Inzichten uit onderzoek kunnen leiden tot wetenschappelijk onderzoek waarbij stress voor het dier geminimaliseerd wordt, onder andere door kooiverrijking.
  • Inzicht wordt gezocht in mechanismen van sociaal gedrag zoals seksualiteit, agressie en het aangaan van sociale verbintenissen.

Ongerief

Het ongerief dat dieren bij gedragsonderzoek ondervinden kan sterk variëren. In deze experimenten worden vergelijkingen gemaakt tussen groepen in stressvolle condities, in een normale praktijksituatie en onder condities die stress mogelijk verminderen. Ongerief kan ook ontstaan doordat gedragsstudies vaak gecombineerd worden met fysiologische analyses en neurobiologische analyses. Zo wordt er gekeken naar hartslag, lichaamstemperatuur, bloeddruk, hormoonfluctuaties in het bloed, krijgen dieren farmacologische behandelingen, worden er hersenscans gemaakt en kleine ingrepen in de hersenen verricht.

Trends en alternatieven

Er is toenemende aandacht voor de variatie tussen individuele dieren. Belangrijke redenen daarvoor zijn de genetica en epigenetica (expressieveranderingen van genen door omstandigheden). Centraal hierbij staat hoe het laboratoriumdier zich verhoudt tot het dier in het wild. Voor sommig onderzoek is het een nadeel dat er door standaardisatie weinig variatie in populaties laboratoriumdieren zit. Het onderzoeken van bijvoorbeeld agressie heeft geen zin bij laboratoriumdieren, omdat zij deels gefokt zijn op hanteerbaarheid. Dergelijk onderzoek met, dan wel weer meer, proefdieren met een grote variatie in gedrag geeft een meer valide beeld.

Door het onderzoek naar het welzijn van landbouwhuisdieren en vooral dat naar vissen in aquasystemen kan het aantal proefdieren stijgen. Vissen worden in aquacultuur in vrij grote dichtheden gehouden.

Evertebraten (ongewervelden) zoals drosophila’s (fruitvliegen) worden als vervanging gebruikt voor gedragsfysiologisch onderzoek. Dit is beperkt tot het onderzoek naar mechanismen die al vroeg op de evolutionaire ladder aanwezig waren (zoals honger, seksuele drang en slaap).

Meer informatie

Kubli en Bopp (2012) Sexual Behavior: How Sex Peptide Flips the Postmating Switch of Female Flies