Met veldbiologisch onderzoek zoekt antwoord op dierecologische vragen. Men probeert de verspreiding van dieren en hun gedrag te verklaren. Daarbij is aandacht voor factoren en strategieën van het dier die invloed hebben op de selectiedruk.

Zo wordt gekeken naar de omgeving (voedsel, territorium en predatie), fysiologische kenmerken (energieverbruik, immunologie en hormonen) en de interactie met soortgenoten. Men kijkt voornamelijk naar vogels, omdat deze gemakkelijk waar te nemen zijn en er gebruik gemaakt kan worden van een netwerk van vrijwilligers. Steeds vaker worden ook technieken gebruikt als DNA-analyse, analyse van stabiele isotopen (kennis over voedsel), stereometrie en immunologie.

Aantallen gebruikte dieren

Bij veldbiologisch onderzoek is er sprake van een groep dieren met een grote genetische variatie die onder wisselende omstandigheden leven. Hierdoor zijn meer dieren nodig om hypothesen statistisch te kunnen ondersteunen. Van tevoren is niet bekend hoeveel dieren meedoen in de studie. Men maakt vooraf een schatting, die naderhand wordt gecorrigeerd. Populaties worden jarenlang gevolgd. Vogels leven vaak lang en sterven in het wild. Het kan dus voorkomen dat door de jaren heen meerdere keren handelingen worden verricht aan hetzelfde dier. Pas als het dier sterft kan met zekerheid worden vastgesteld hoe vaak een dier is ‘hergebruikt’.

Alternatieven

Binnen het veldbiologisch onderzoek wordt veel lang lopend onderzoek uitgevoerd. Men verandert dus niet snel van diersoort. Sommige vragen kunnen met evertebraten worden bestudeerd. Echter, deze zijn moeilijker te observeren in het wild. Er is dus moeilijk een link te leggen naar natuurlijk gedrag. Bovendien is het gedrag van bijvoorbeeld insecten minder complex.

Vermindering van het aantal proefdieren in veldbiologisch onderzoek is lastig. Vaak weten onderzoekers niet hoeveel dieren zij door de jaren heen zullen vangen.

Verfijning is mogelijk door het natuurlijke gedrag minder te verstoren. Dit gebeurt vooral door toepassing van webcams, radiozendertjes en Pressive Infra Tac (PIT) . Dat laatste zijn zendertjes waarin via een codenummer gegevens opgeslagen staan en die gescand kunnen worden. Onderzoek met gebruik van zendertjes geeft veel nieuwe informatie. Men kan bijvoorbeeld kijken welk dier er bij een voerbak komt, men kan de trek van zeeschildpadden volgen en men kan het gewicht van mezen bijhouden.