Het aantal dierproeven in Nederland is de afgelopen tien jaar met 20% gedaald tot 423.970 in 2024. Met deze daling zet een langere trend door. Wel is er een sterke stijging te zien bij proeven voor soortbescherming en milieu. Dat aantal steeg van 22.631 naar maar liefst 100.645 per jaar in 2024. Dat blijkt uit het rapport ‘Dierproeven in Nederland, 2015-2024’ dat het NCad maandag 15 juni heeft aangeboden aan staatssecretaris Silvio Erkens van het ministerie van LVVN.
In tien jaar tijd daalde het aantal dierproeven met 20%, mede door verfijningen in onderzoeksmethoden, proefdiervrije alternatieven en technologische innovatie. Zo waren er minder dierproeven nodig voor fundamenteel onderzoek en omzettingsgericht en toegepast onderzoek. Ook zorgden stijgende kosten voor dierproefonderzoek in belangrijke mate voor een daling en er is minder financiering beschikbaar voor dierproefstudies. De verwachting van onderzoekers is dat deze daling op korte termijn enigszins zal afvlakken.
Wet- en regelgeving
De meeste dierproeven (32% van het totaal) gebeuren om te voldoen aan wet- en regelgeving of voor routineproductie van biologisch materiaal, bijvoorbeeld voor veiligheids- en werkzaamheidstesten voor medicijnen en chemische stoffen. Ondanks dat deze categorie proportioneel is toegenomen, is het aantal dierproeven stabiel gebleven (rond de 134.000 per jaar). Europese wet- en regelgeving schrijft voor dat de veiligheid, kwaliteit en effectiviteit van chemische stoffen, medicijnen en gewasbeschermingsmiddelen door onderzoek moet worden vastgesteld. Dit leidt in de praktijk tot een aanhoudende vraag naar dierproeven.
Sterke stijging proeven voor soortbescherming
Wat opvalt is de sterke stijging in het aantal dierproeven voor het behoud van diersoorten en het milieu. De categorie proeven voor soortbehoud is de op één na grootste onderzoekscategorie geworden met een stijging van 302% naar 89.555 dierproeven in 2024. Dit type onderzoek wordt voornamelijk uitgevoerd naar aanleiding van beleidsgedreven vragen vanuit de Nederlandse overheden, vooral ook op basis van nieuwe Europese en nationale regelgeving (zoals de natuurherstelverordening). Bij dit type dierproeven worden met name de populaties en migratieroutes van diersoorten in kaart gebracht en gekeken of dieren (vogels) gevaarlijke zoönosen met zich mee dragen. Dit is van belang voor het meten van de staat van de natuur- en waterkwaliteit en de bescherming van volksgezondheid en de veestapel. De mogelijkheden voor de inzet van alternatieve technieken bij onderzoek naar dieren in het wild zijn volgens experts beperkt. De verwachting is volgens hen dan ook dat de groei van dit type onderzoek waarschijnlijk zal doorzetten.
NCad-voorzitter Prof. Dr. Nico van Meeteren: "Complimenten aan de onderzoekers. Dit rapport maakt zichtbaar dat er voortgang wordt geboekt, maar ook dat de transitie nog verre van voltooid is. Dat is geen opgave voor enkelen, maar voor velen. Van overheden en financiers tot bedrijven, onderzoekers en maatschappelijke partners. Juist in die gezamenlijke verantwoordelijkheid schuilt het perspectief. Het NCad wil met haar Transitieadvies 2.0, dat medio september verschijnt, bijdragen aan verdere richting, samenhang en, waar mogelijk, versnelling. Een gedeelde ambitie, gedragen door een pluriform veld, is immers de beste basis voor duurzame verandering."
Transitieadvies 2.0
Op verzoek van de minister van LVVN onderzocht het NCad de trends en ontwikkelingen en inventariseerde het NCad opinies van experts over de onderliggende factoren binnen het dierproevenveld sinds de inwerkingtreding van de herziene Wet op de dierproeven in december 2014. In september 2026 komt het NCad met een vervolg: het Transitieadvies 2.0, met daarin aanbevelingen voor het verder uitfaseren van dierproeven en het stimuleren van proefdiervrije innovatie.