Wie doet wat bij vergunningverlening

Met de inwerktreding van de herziene Wet op de dierproeven (eind 2014) zijn er nieuwe organisaties in het leven geroepen zoals het NCad, de Centrale Commissie Dierproeven (CCD) en Instantie voor Dierenwelzijn (IvD). Organisaties zoals de Dierenexeperimentencommissies (DEC's) die er al waren voor de herziene Wod, veranderen van rol.

Centrale Commissie Dierproeven

De CCD is het centrale orgaan dat als enige bevoegd is om projectvergunningen voor het verrichten van dierproeven te verlenen. De CCD is een Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO) dat is benoemd door het ministerie van Economische Zaken. In de wet- en regelgeving is vastgelegd dat de CCD onafhankelijk en onpartijdig is. Meer informatie vindt u op de website van de CCD.

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

Voor het houden, het fokken of leveren van dieren met het oog op dierproeven is niet alleen een projectvergunning nodig, maar ook een instellingsvergunning. Deze instellingsvergunningen worden door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit verleend aan onder andere universiteiten, farmaceutische industrieën en medische centra. Deze organisaties moeten dan wel voldoen aan de voorwaarden die daarvoor in de herziene Wet op de dierproeven (Wod) zijn gesteld. De NVWA ziet er op toe dat de instellingen zich houden aan de wet- en regelgeving op het gebied van dierproeven. Ook brengt de NVWA jaarlijks een overzicht uit van het aantal dierproeven dat is uitgevoerd, waarvoor en op welke dieren deze dierproeven werden verricht. Hier vindt u de Zo doende van 2013, het jaaroverzicht van de NVWA over dierproeven en proefdieren.

Dierexperimentencommissie

Een Dierexperimentencommissie (DEC) adviseert de CCD over een aanvraag of verlenging voor een projectvergunning dierproeven. De CCD erkent DEC’s in Nederland en kan die erkenning ook weer intrekken. De Nederlandse Vereniging van Dierexperimentencommissies (NVDEC) is een vereniging van alle DEC's in Nederland.

Een DEC gebruikt bij haar advies aan de CCD criteria die in de wet- en regelgeving zijn vastgesteld. Op dit moment zijn er in Nederland ongeveer 25 DEC’s. Deze zijn aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van Dierexperimentencommissies (NVDEC). Een DEC bestaat uit ten minste zeven leden met deskundigheid op het gebied van:

  • De verschillende wetenschapsdisciplines en wetenschappelijke toepassingen waarvoor de dieren zullen worden gebruikt. Hieronder valt ook vervanging, vermindering en verfijning (de 3 V’s) op deze gebieden;
  • Ontwerp van proeven, inclusief de statistische aspecten;
  • Proefdiergeneeskundige praktijk of, waar noodzakelijk, diergeneeskundige praktijk met wilde dieren;
  • Het houden, verzorgen en behandelen van dieren van soorten die zullen worden gebruikt;
  • Ethiek;
  • Proefdieren en hun bescherming.

Tenminste twee leden zijn niet betrokken bij het verrichten van dierproeven. Ook mag naast de voorzitter tenminste de helft van de leden geen arbeidsverhouding hebben met de instellingsvergunninghouder van het project waarvoor een advies wordt uitgebracht.

Net zoals de CCD kijkt de DEC naar verschillende punten van het projectplan:

  • De deskundigheid van degene die de opzet en uitvoering van de proef bepaalt.
  • Door wie of door welke commissie de wetenschappelijke kwaliteit is beoordeeld.
  • De argumentatie waarom de vraagstelling niet met minder of anders dan met behulp van proefdieren kan worden beantwoord (3V's).
  • De motivering van de keuze van de soort en het aantal proefdieren.
  • De herkomst van de proefdieren.
  • De beoogde behandeling en verzorging (inclusief huisvesting) voor, tijdens en na de proef alsmede de deskundigheid van de hiermee belaste personen.
  • De aard, de frequentie en de duur van de ingrepen waaraan het dier wordt onderworpen.
  • De mate van ongerief dat de proefdieren (mogelijk) wordt berokkend.
  • De (eventuele) toepassing van verdoving of pijnstillende middelen en andere methoden ter vermijding van ongerief.
  • Of een dier eerder is gebruikt voor een proef.
  • Of en zo ja, op welk moment, besloten wordt over te gaan tot verantwoord doden van de betrokken proefdieren alsmede de methode die daarbij wordt toegepast.
  • De uiteindelijke bestemming van het dier na de proef.

Instanties voor dierenwelzijn

Elke fokker, leverancier en gebruiker van proefdieren is verplicht een Instantie voor Dierenwelzijn (IvD) in te stellen. De IvD adviseert het personeel van de fokker, leverancier en gebruiker en ziet toe op het welzijn van dieren, begeleidt de aanvraag tot projectvergunning en de uitvoering van het project na vergunningverlening. Bij elke organisatie die dierproeven doet zijn één of meer personen verantwoordelijk voor het welzijn en de verzorging van de dieren. Deze proefdierdeskundige is, samen met andere deskundigen, onderdeel van de IvD. Hiermee is het toezicht op het welzijn van de proefdieren geborgd omdat het niet afhankelijk is van de kennis en positie van één functionaris binnen een organisatie.

Taken van de IvD zijn:

  • Adviseren van het personeel dat met dieren omgaat over dierenwelzijn (aanschaf, huisvesting, verzorging en gebruik van dieren).
  • Adviseren van het personeel over de 3 V’s en bijbehorende technische en wetenschappelijke ontwikkelingen.
  • Zorgen voor vaststelling en toetsing van bedrijfsinterne procedures (controle, rapportage en vervolg met betrekking tot het welzijn van de gehuisveste dieren).
  • Volgen van de ontwikkeling en de resultaten van projecten (effecten op gebruikte dieren, elementen in kaart brengen die kunnen bijdragen aan de 3 V’s).
  • Adviseren over eventuele adoptieregelingen.